Ranselrazermenu


Spreuken en sproken
      Gelukkig
      Jaargang 4
      Jaargang 3
      Jaargang 2  
      Jaargang 1

Over boeken

Algemeen  

Afgrond en dans   

God  

(A)theïstische manifesten

Voor bij het schrijven

Forum 

Tekstredactie   

Huishoudelijk
  

Spreuken en sproken van alledag

Eventuele reacties


Verkeerde pagina

Wat een lelijke site! Niet om aan te zien. U bent dan ook op de verkeerde pagina terecht gekomen. Hier moet u zijn.

Oplossing

Om me zo snel mogelijk in te werken in mijn nieuwe baan, praat ik zoveel mogelijk met mensen die ergens verstand van hebben. Zo zat ik vorige week aan tafel met een man van EMC, die me voorspiegelde dat 95 procent van alle data ongestructureerd is. Als je dat optelt bij de explosieve groei van de data, krijg je dat het steeds moeilijker wordt om al die data beheersbaar te houden.
Wanneer iemand binnen een organisatie om informatie vraagt, dan moet die informatie direct beschikbaar zijn, relevant, overzichtelijk en liefst compleet. Om dat voor elkaar te krijgen moeten er snel allerlei links tot stand komen tussen de juiste data en de interface van de gebruiker. Pas als dat proces gestroomlijnd is, kan iemand een afgewogen beslissing nemen.
Daar heeft EMC natuurlijk een oplossing voor, legde de man mij uit. En dit keer vond ik dat hij die term juist had gekozen. Er is inderdaad een probleem, omdat je niet kunt linken in ongestructureerde data. En als er binnen een organisatie desondanks geen problemen zijn, dan kunnen we toch nog spreken van een bottleneck. Het is de taak van bedrijven als EMC, die de infrastructuur verzorgen van andere bedrijven in productie, om de bottlenecks op te sporen en er oplossingen voor te bedenken, voordat er problemen ontstaan.
De man vertelde me ook nog dat EMC bezig is met een consumentenproduct, waarmee we snel en overzichtelijk bij alle informatie kunnen komen die we her en der op internet hebben staan, op Gmail, Linkedin, Facebook, Hyves, Flickr. Alles direct binnen handbereik. Jammer genoeg had ik tijdens mijn gesprek andere prioriteiten, anders had ik er zeker op doorgevraagd. Nu ben ik vreselijk benieuwd hoe ze dat structureel willen oplossen.

COPYRIGHTS WARNING

This DVD [Digital Versatile Disk] including all material thereon is protected by copyright and is for private use only.
Dat is een tekstblok dat je op iedere legale dvd krijgt te zien voordat de film begint. Je leest het nooit daadwerkelijk, maar je begrijpt keurig wat er in staat en weet het feilloos te herkennen. Dat tekstblok herkende ik laatst, terwijl ik zapte langs de zenders. Ik zapte verder, gewend als ik was aan de regelmaat. Maar een fractie later drong tot me door dat daar helemaal niet thuishoorde wat ik had gezien. Ik keerde terug op mijn schreden.
Dat blok was er nog steeds, helder wit op zwart, vastbesloten was het blijven staan. Voor de zekerheid controleerde ik of mijn dvd-speler me geen parten speelde, waarna de letters uit zichzelf vervaagden en de film begon. Al de eerste scene droop van het zoetige sap en er werd vreselijk slecht geacteerd dat er een jongen op sterven lag, met vrienden die om hem vreselijk bezorgd en verdrietig waren, maar niet hun gezamenlijke onschuld verloren.
De bewuste zender werd uitgezonden op het etalagekanaal, waarop mijn kabelmaatschappij me iedere twee maanden verrast met een andere zender uit het extra pakket, waaraan ik dan gratis verslaafd kan raken. Dit keer was het de beurt aan een christelijke zender, die later nog hele preken op het scherm zou brengen, de een bevlogen, de ander redelijk, de volgende met begrip voor de menselijke omstandigheid. Dus ongetwijfeld zal die film heel christelijk verantwoord zijn geweest, maar tjonge, wat was hij illegaal.

De appel valt mij nog op het hoofd

In den beginne waren fotonen deeltjes, daarna golven, toen weer deeltjes en nu lijken het me in vormen gebundelde energie, die de elektronen in beweging brengen en daarmee de hele mallemolen. Maar de quantummechanica krijg ik onmogelijk binnen mijn oerklassieke wereldbeeld. Die blijft diep verborgen achter de horizon van mijn voorstellingsvermogen.

Zelfvertrouwen

Ik zat opperbest bij mijn vorige baan. Ik had leuke collega's en ik deed werk waarin misschien een beetje de sleet was gekomen, maar dat ik helemaal niet erg vond om te doen. In ieder geval werd ik op waarde geschat. Toch wees ik het voorstel niet direct van de hand, toen ik op mijn werkplek een telefoontje kreeg van iemand die vroeg of ik bij hem wilde komen werken, alleen al omdat hij daarmee mijn ijdelheid aangenaam streelde. De meeste mensen moeten toch aanzienlijk meer doen voor een nieuwe baan. Ik werd verdraaid geheadhunt! Bovendien, zo dacht ik toen, kunnen we er altijd over praten, dat kan sowieso geen kwaad. Dus hebben we een afspraak gemaakt en zijn we gaan lunchen, een lunch die eigenlijk al direct de doorslag gaf, al hield ik nog een tijd lang allerlei slagen om de arm.
De man, nu mijn baas, bood me een slecht lopend project aan, dat ik op de rails zou moeten trekken, en deed allerlei toezeggingen over maatregelen die ik zou kunnen nemen. Dat klinkt fantastisch, alleen bestond het project uit een website die gevuld moest worden, terwijl het dagelijks vullen van een website me niet direct een droombaan lijkt. Maar goed, ik zat al ruim negen jaar op mijn vertrouwde plekje en het zeurde al langer in mijn achterhoofd dat ik eens elders op de wereld moest gaan kijken. Het lukte me alleen niet om van mijn luie reet af te komen, dus eigenlijk was dit de perfecte gelegenheid. En daarbij hielp het dat eigenhandig iets opzetten eigenlijk altijd spannend is, wat het ook mag zijn.
Afgelopen maandag ben ik begonnen op mijn nieuwe positie, waar ik de schrik van mijn leven kreeg, een regelrechte hartverzakking. We zaten er de hele dag stukjes te herschrijven die we van Amerikaanse websites plukten, en soms plaatsen we een artikel ongewijzigd door van een site die een tafel verderop wordt gemaakt. Ondertussen kon ik op de planning zien dat ik vrijwel geen budget had om iets extra's te doen. Dus kwam me het beeld voor ogen dat ik daar zo het hele jaar zou zitten, wat me zowat verlamde van angst. Het enige wat ik kon doen was rustig blijven, niets laten merken en stukjes schrijven. De volgende dag kreeg ik van mijn medewerker ook nog te horen dat hij de toezeggingen die me tijdens de lunch waren gedaan al vaker had gehoord, maar dat er nooit iets van was gekomen. De restyling, waar we het over hadden gehad, zag ik dus in rook opgaan, waardoor ik niet alleen aan een saaie, maar ook nog aan een lelijke website gebonden was. Waar haal ik zo snel een nieuwe baan vandaan?!
Nu is mijn eerste week voorbij, net als mijn eerste schrik. Van de weeromstuit ben ik plannen gaan maken, precies waarvoor ik ben aangenomen. Eerst waren het wilde plannen, maar vanzelf kwam er lijn in mijn gedachten. Vrijdagavond heb ik ze zelfs helemaal uitgewerkt, waarna ik weer wat geruster naar de toekomst kon kijken. Toen herinnerde ik me ineens een gedachte waarmee ik mijn besluit goed probeerde te praten, tijdens die vreemde laatste weken in de werkomgeving waar ik me al jaren helemaal thuisvoelde. Wat voor moeilijkheden ik ook tegenkom, zo stelde ik mezelf gerust, ik zal er wel iets op vinden, daarvoor ben ik goed genoeg.
Dat was toen soms even een punt van houvast. Nu is het mijn enige.

Oordeel

Of het er bij hoort? Dat durf ik zo niet te zeggen. Daarvoor moet ik een definitie van de groep hanteren. En aangezien ik die definitie zelf moet creëren om hem serieus te kunnen nemen, kan ik hem zo buigen dat het er wel degelijk toe behoort. Maar ik kan hem evengoed een vorm geven die het resoluut uitsluit.
Ik vermoed dat ik het zou laten passen.

Geen leugens meer

Ik kreeg weer eens een telemarketeer aan de lijn. Heel even, omdat ik een ander telefoontje verwachtte, had ik het volume van mijn telefoon aangezet. En heel even was ik vergeten het weer uit te zetten, lang genoeg om hem er doorheen te laten glippen. Gelukkig weet ik wel raad met die mensen als ze eenmaal beginnen te praten.
Eerst informeren ze of ik inderdaad degene ben die ze zoeken. Meestal hebben ze de juiste voor zich en dat kan ik dan niet ontkennen. Dus antwoord ik bevestigend, met een toon van “Ja, wie wil dat weten en waarom?” Daar trekken ze zich natuurlijk niets van aan en ze vragen me of ze me iets mogen vragen. Ook dat kan ik ze niet weigeren, want vragen staat vrij. Alleen beginnen ze vervolgens met een heel verhaal over uitvaartverzekeringen of financiële perikelen, dat ik geduldig uitzit tot ze de beurt weer aan mij teruggeven. Dan vertel ik ze dat hun hele verhaal me geen barst interesseert, ik wens ze goede avond en smijt de hoorn op de haak.
Het volume staat nu gelukkig weer uit. Mijn vrienden bellen me mobiel.
Vroeger liet ik me nog wel eens verleiden tot een gesprek. Toen ik een jaar of veertien was heb ik bijvoorbeeld gezellig aan de deur staan praten met een verkoper van de boekenclub, zoals ik in die tijd ook kletste met Getuigen van Jehova. Ik beantwoordde al zijn vragen, stelde er zelf een paar terug en die verkoper was met mij heel content. Achteraf is het helemaal geen wonder dat hij me wilde noteren en om mijn gegevens vroeg, maar voor mij was dat een stapje te ver. Ik wilde geen lid worden. En toen ik hem dat eindelijk aan zijn verstand had gepeuterd, werd hij boos en riep hij dat ik zijn tijd had verdaan. Al mijn signalen waren positief geweest, hoe kon ik hem dan toch nee verkopen, zo vroeg hij zich luidop en vertwijfeld af. Hoe kon ik weigeren wat me op het lijf geschreven was! Hij leek daarin precies op die Getuigen. Die keken ook behoorlijk op hun neus toen ik ze toch geen gelijk gaf nadat ik zo nieuwsgierig met ze had meegepraat.
Jaren later, in een winkelstraat, is me echter iets ernstigs overkomen. Ondertussen was ik me aan hun verkoperspraatjes gaan ergeren en ik zag haar al van verre aankomen. Voordat ze nog maar adem had gehaald om haar vraag te stellen lag mijn antwoord al op mijn lippen. “Bent u geïnteresseerd?” “Nee!”, heel beslist en ik liep door. Maar in de passen die daarop volgden realiseerde ik me op welke vraag ik precies antwoord had gegeven en nu was het mijn beurt om woest te worden, op haar, op mezelf en op de hele situatie. Ik was inderdaad niet geïnteresseerd in wat ze te zeggen had en ik wilde het niet horen, alleen had ze in werkelijkheid niets meer gezegd. Nooit had ik nee mogen antwoorden op de vraag die ze me had gesteld. Ik was wel degelijk geïnteresseerd, waar haalde ze sowieso het lef vandaan!
Daarom laat ik die lui tegenwoordig netjes uitspreken. Maar ik geef ze niks.

Dank u

Bedankt, dat woord moet je niet letterlijk nemen. Met dat woord bedanken we, het is de daad zelf. Neem je het te letterlijk, dan krijg je het Engelse thanked, en in die streken zou niemand dat geïsoleerd gebruiken. Daar kiezen ze voor thanks, een zelfstandig naamwoord, dat is hun woord voor onze danken en bedanken. Of nog liever bedankjes, wat direct weer verandert in little thanks, een lichtelijk vreemde uitdrukking waarvoor ik zo snel geen toepassingsmogelijkheden zie. Daarom vertalen we gewoon bedankt en thanks.

Cliffhanger

God moet vreselijk verslaafd zijn aan de soap, wil Hij nu nog zitten kijken. En in den einde schiep Hij het niks.

Masochist

Maak het woeste monster kwaad en knuffel terug als het je aanvalt, met een liefde die lak heeft aan de dood. Geniet van elk contact.

Gelukkig


Jip in het park
Jip
Foto: Jip de Kort (www.kwark.org)

Dit is Jip. Zo zie ik hem levendig voor me, met een glimlach om zijn lippen die het midden houdt tussen nieuwsgierige verbazing en milde spot. Ik zie hem in veel meer gestalten: jong, ouder, vrolijk, enthousiast, stuiterend, verontwaardigd, verlegen. En tussen al die beelden zitten nu ook de afdrukken van een levenloze Jip, opgebaard en in een kist. Daarom heb ik deze foto gekozen. Op de foto zit Jip zoals ik me hem herinner. Maar toch is hij vervormd, zoals ik hem alleen nog maar vervormd voor u op kan roepen, door mijn ogen. De zijne zijn opgeborgen achter zijn zonnebril. Jip kijkt niet meer terug.

De laatste jaren dacht ik vertrouwd te zijn geworden met de gedachte aan de dood en heel stoer vreesde ik dat die dood me niet meer zo diep zou kunnen raken. Maar natuurlijk had ik nooit kunnen bedenken dat Jip zou sterven, mijn speelkameraad, mijn Grote Vriendschap, mijn vriendje. Zoekt u mij op zijn website, zoekterm 'sander', dan krijgt u me talloze malen op het scherm. In elk van die foto's voel ik me op mijn plaats. De serie is bij lange na niet compleet, en bovendien onafgemaakt. Want Jip is dood. Ik kan bijna niet ophouden met huilen.

Ik ken hem meer dan twintig jaar, vanaf de laatste twee jaar van de middelbare school. Vooral van hem leerde ik om uitgelaten kind te zijn, iets wat ik ergens in mijn jeugd was verleerd. Niet dat ik van hem heb moeten leren spelen, want spelen deed ik altijd, met alles wat voorhanden was, alleen zochten mijn spelletjes het meer in de eindeloze innerlijke herhaling die me zo fascineert. De spelletjes van Jip waren net zo goed naar buiten gericht, hoewel ze met een bepaalde terughoudendheid werden gespeeld, bewust van de omgeving. Maar in geen geval liet hij zich tegenhouden. Blijkbaar was het mogelijk om over je schaamte heen te komen, zonder afschuwelijk overdreven te worden en Jip liet me zien hoe het kon. Het was verrassend simpel. Ik hoefde me er alleen maar niet aan te storen dat mensen af en toe wat vreemd naar me keken. Wat ik deed kon leuk en verrassend zijn voor iedereen. Ik mocht zelfs trots zijn op mijn spel. Dat was een regelrechte bevrijding, waarna bleek dat ik nog net zo'n springerig joch kon zijn als ik op de kleuterschool was geweest, nu alleen met een ernstige kop. En het was heerlijk om me helemaal niets aan te trekken van de vreemde opmerkingen die we naar ons hoofd geslingerd kregen als we zakdoekje leggen speelden op het schoolplein. Bovendien hadden ook wij op school de veiligheid van een groep. En die breidde zich als een inktvlek uit, iedereen die ook maar een beetje aanleg had voor het spel speelde met ons mee. Bij ons was het gezellig en kon je zijn wie je was of wilde zijn. In een hoek van het schoolplein kwamen we iedere vrije minuut bij elkaar en stonden we samen te blauwbekken of te genieten van de zon. Wij deden leuke dingen. We gingen met een grote groep in het gras bij een meertje liggen, allerlei lekkere zoete dingen namen we mee. Later wees Jip me nog wel eens op de foto's van die middag, als bewijs dat ik ooit een bloes had gedragen, nota bene met een sweater er overheen, het kraagje over de rand. Vrijdagavond in het café was het bij ons net een bijenkorf, en natuurlijk stonden we met z'n allen vooraan bij elk evenement dat ons stadje rijk was. Na een feestje gingen we nog naborrelen bij de opgaande zon, nu aan de oever van een vennetje in het bos. Jip ging zwemmen en ik zong een liedje van Jaap Fischer, waarvan ik halverwege de tekst kwijtraakte. Die ochtend al wilde ik Jip vastpakken en hem warmen onder mijn jas toen hij bibberend van de kou het water uit kwam, wat ik, puntje bij paaltje, uiteraard overliet aan moederende meisjes.
Na ons examen gingen Jip en ik in Utrecht wonen en veranderde de hele zaak. Ineens waren we geen onderdeel meer van een grote groep, maar waren we twee heel verschillende individuen, die helemaal op elkaar waren aangewezen als we bij elkaar kwamen, of als de rest de trein naar huis had genomen en we samen overbleven in de nacht. Daar zaten we dan, ergens aan een afgelegen stuk van de Oude gracht, zonder veel te zeggen. Uit het gras had ik een stevige spriet getrokken, waarmee ik in mijn mond zat te spelen. “Dan heb ik wat te doen”, zei ik tegen hem, terwijl ik me direct realiseerde dat zo'n uitspraak helemaal verkeerd kon worden opgevat, alsof ik me bij hem verveelde, dus liet ik er de verzekering op volgen dat ik me prima vermaakte. Dat was een spannend moment, want als je gedwongen bent om zoiets te zeggen is het meestal al te laat. Dan is het kleine zaadje van wederzijds wantrouwen gezaaid en gaat het langzaamaan bergafwaarts. Maar zo ging het niet bij ons. Jip draaide er niet omheen en vertelde me direct dat hij zich inderdaad had afgevraagd wat ik bedoelde, maar tegelijkertijd liet hij merken dat hij me geloofde. En ik op mijn beurt geloofde hem. Vanaf dat intieme moment voelde ik me volledig bij hem op mijn gemak. En hij bij mij.
Dat vertrouwen was er altijd. We maakten ons zelfs vooraf geen zorgen over het verloop van de avond als we bij elkaar gingen eten, en dat wil wat zeggen. De eerste paar uur waren we misschien een beetje meer gespannen dan normaal, omdat we nog uit uit onze gestreste leef- en werkmodus moesten komen en afstemmen op elkaars zender, maar dat lieten we rustig over ons heenkomen. Die zorgen hadden we achtergelaten aan de Oude gracht. We speelden gewoon met wat Jip ons voorschotelde, dan hoefden we niet zoveel te zeggen. En hij had altijd wel iets bij zich. Hij leek een perfect oog te hebben voor wat leuk was en hij sleepte het altijd met zich mee, of hij nu de enige was die er het plezier in zag, zoals in zijn vreemde plastic kinderspeeltjes, of iedereen direct begreep wat hij bedoelde, zoals bijvoorbeeld bij de iPod Touch. Dat apparaat is voor veel mensen een geliefd speeltje, maar de meesten komen niet verder dan af en toe wat muziekjes spelen. Jip benutte het apparaat juist helemaal, alle functies werden uitgebuit, net zoals hij met zijn computer deed, met internet, zijn website, zijn scriptjes, zijn nieuwe fototoestel met GPS, dat hij tot in de uiterste hoeken zou hebben uitgeplozen als hij er de tijd voor had gehad, maar ook met zijn stuiterballen, waarvan hij er altijd een paar had die licht gaven, en daarnaast een waarmee hij gooide. Hij schijnt er van een afstand het lichtknopje mee te kunnen raken. Op zijn kamer vonden we een gigantische bellenblazer, zeker tien bellen tegelijk. Hij speelde met overgave.
Omdat we zo opgingen in ons spel bleven we vaak lekker op zijn kamer, om ondertussen als twee oude theetantes te keuvelen over de dingen die ons opvielen en die anderen te onbelangrijk vonden om ter sprake te brengen of te gênant om over te spreken, om later ongemerkt over te gaan op onderwerpen die ons bezighielden. Op zulke avonden gebeurde er verder helemaal niets, maar buitenshuis konden we in diezelfde ontspannen sfeer zomaar iets meemaken. Wie van u kan zeggen ooit door de machinist uitgenodigd te zijn in de bestuurderscabine van de trein? Mij is het overkomen, samen met Jip en zijn vriendin. In het gezelschap van Jip was zoiets mogelijk, we waren altijd een leuk groepje.
Jip knutselde op een zomerfestival uit stokjes en wat papier een vlieger in elkaar. In zijn gigantische rugzak zat natuurlijk een bolletje wol. En de constructie vloog verdomme nog ook.
Op weg naar huis van een feestje probeerden we de deuren van een grote limousine, die tot onze grote verrassing open bleken te zijn. In het zomerse ochtendgloren hebben we luxe op de ruime achterbanken zitten roken en kletsen.
Op een van onze tochten werden we gesnapt bij het stoken van een vuurtje, wat we natuurlijk ook helemaal niet in het geniep aan het doen waren, maar gewoon in een rondslingerende rioolbuis. Die buis hield het vuurtje trouwens keurig onder controle, dus alles was volkomen veilig en in de hand. Maar toch kwam er een beveiligingsman aanrennen om ons te zeggen dat we moesten blijven staan waar we stonden, de politie was onderweg. Wij wilden helemaal niet weg, we bleven rustig staan toekijken hoe hij met gevoel voor drama het vuur uitmaakte. En daarna kregen we een standje van twee agenten, die alleen onze aanstekers in beslag namen, waaronder Jips originele Zippo met de platte onderkant. Dat vond hij niet leuk.
In zijn kamer kwam hij een steriel mesje tegen en hij stelde voor om bloedbroeders te worden. Dat vond ik een uitstekend idee en hij zette direct een keurig sneetje in mijn pols, waar een klein beetje bloed uit kwam. Ik probeerde hetzelfde te doen bij hem, maar daarbij moest ik klungelig een paar keer opnieuw snijden, omdat ik veel te zachtzinnig te werk ging. En toen er eenmaal wat bloed vloeide hebben we onze polsen stevig tegen elkaar gedrukt, wat bier eroverheen om het allemaal nog wat vloeibaarder te maken en de boel tegelijk te ontsmetten, want het opschrift 'steriel' zegt ook niet alles.
Laatst nog, toen iedereen al was verdwenen van het feestje ter ere van mijn veertig lentes, vond ik hem heel comfortabel op de vloer van mijn badkamer, met een handdoekje onder zijn hoofd. Daar was hij gaan liggen nadat hij de spinazie van die avond had uitgekotst, samen met de gin-tonic, overigens niet voordat hij de rommel keurig had opgeruimd, ik heb geen groen blaadje gezien. Zo voelde hij zich prima op zijn gemak. Hij deed wat hij prettig vond, maakt niet uit dat tegels over het algemeen als hard en koud worden beschouwd. Ook dat probeer ik nog steeds van hem te leren. Want hoewel een goede leerling ben ik nog lang niet afgestudeerd. Alleen is de meester zelf er nu niet meer. Voortaan als ik een fuifje heb gehad, en ik ben door de drank niet meer helemaal je dat, moet ik helemaal alleen op huis aan. Want mijn vriendje zal dan niet meegaan. En nooit zal hij me meer van mijn luie bank af plukken met een uitnodiging voor een cultureel event. Wat moet ik alleen op Robodock? Ik heb daar niets te zoeken. Nu hij er niet meer is heb ik ook niemand meer die het spel net zo serieus neemt als ik en waarmee ik dus eindeloos kan spelen. Want serieus is spel en spel is serieus, daarin vonden we elkaar feilloos. Zo blijven we naar de wereld kijken.

Het leven voelt een stuk minder mooi nu Jip er niet meer is. Voortaan zal ik alleen moeten spelen. Die gedachte overvalt me telkens opnieuw en het lukt me niet om iets anders te denken. Af en toe zet ik een serie op waarvan ik de afleveringen al een paar keer heb gezien, of een film die ik van haver tot gort ken. Dan zijn mijn gedachten even ergens anders en hoef ik toch nergens moeilijk over te doen. Even rust, terwijl ik overigens van mezelf net zo veel aan Jip mag denken als nodig is. Ik moet toch verwerken dat hij is gestorven en wat ik sindsdien allemaal heb meegemaakt. Meteen na zijn dood volgde de meest intense week die ik ooit heb beleefd.
Ik hoorde het over de telefoon van mijn vriendin. Heel verstandig vroeg ze eerst waar ik was. Ik was thuis, net van mijn werk. Diezelfde tegenwoordigheid van geest toonde ik zelf niet, toen ik het nieuws even later plompverloren aan een gezamenlijke vriendin vertelde. Het was puur geluk dat ze zich even rustig had teruggetrokken om te telefoneren. Had ze in haar auto gezeten, dan waren de ongelukken niet te overzien geweest. Voor mij was het daarna een geweldig geluk dat de vriendin van Jip me belde en voorstelde dat ik naar haar huis zou komen. De ouders waren er al, zijn zus was onderweg. Vanaf het begin werd ik overal bij betrokken. Was dat niet gebeurd, dan had ik een week lang met mijn hoofd tegen de muur niets moeten doen.
Diezelfde avond hebben we het lichaam gezien. Het was een schok, zoals hij er bij lag, als een pop uit de Efteling, maar toch met hetzelfde lijf als waarmee hij altijd bij ons was. We hebben zijn keurig gekamde haar wat door de war gemaakt, een beetje gelachen en vooral veel gesnotterd.
De volgende dag zijn we samen naar de begrafenisondernemer geweest om beslissingen te nemen. Gelukkig hadden we iemand onder ons die haar verdriet opzij wilde zetten om alles in goede banen te leiden en de zaak te organiseren. Zij had de leiding, over de hele operatie die volgde, van het maken en afdrukken van de kaartjes, tot het uitzoeken van de foto's die we bij de uitvaart zouden laten zien en de muziek die we draaiden, en over de eindeloze rij details daar tussenin. Ze toonde zich een heldin! Maar eigenlijk waren we allemaal helden, zoals we elkaar steunden, zoals we elkaar konden laten huilen en bijna tegelijkertijd over en weer sarcastische grappen maakten. Het was een week samen, hoewel ik achteraf moest constateren dat het helemaal geen week is geweest, hoogstens vier dagen. Het leek wel een maand, een achtbaan van emoties, die afgesloten werd met een uitvaart en het feest achteraf, waarop we baldadig met honderden stuiterballen gooiden. Dat was heerlijk. Die hele week was op een eigenaardige manier heerlijk, hoewel ik er alle goud van de wereld voor over zou hebben gehad om hem te missen. Die week had niet mooier kunnen zijn.
De klap die me werkelijk versufte kwam pas daarna, toen ik ineens weer moest gaan werken, in een wereld waar Jip niet bestond en nooit had bestaan. Er was daar niets veranderd. Alleen ik. En ik vond het helemaal niet leuk in de wereld zonder Jip. Ik liep er rond als een zombie en beperkte me tot de kleinste klusjes. Verder hield ik mijn muis in beweging, zodat de screensaver mijn scherm niet overnam. Alleen de teksten die ik de vorige avond voor dit verhaal had geschreven kon ik in de computer zetten. Dat waren twee vliegen in een klap: ik deed wat moest gebeuren en ondertussen leek het net alsof ik werkte. Ik werkte niet. Ik dacht aan Jip. Ik denk nog steeds aan Jip. Ik kan niets anders denken dan Jip. Ik heb een webcam gekocht en nu maak ik vreemde eindeloze filmpjes van dingen die gebeuren. Daarmee houd ik mezelf indirect bezig met de jongen die dat jaren geleden al deed.

En zo jank ik nog even verder. Door hem in mijn gedachten te houden knuffel ik hem nog eens stevig. Ik zoek troost bij hem en wil hem laten weten dat ik van hem hou. Ik klem hem zo dicht mogelijk tegen me aan. Dat voelt bijna als een verantwoordelijkheid. Want nu is het aan mij om hem in leven te houden. Ik ben bang hem te verliezen, en van de weeromstuit lukt het me nauwelijks meer om te horen hoe hij klonk en te zien hoe hij kijken kon. Zelfs lijkt het soms alsof ik mijn verdriet kwijt ben, wat me dan weer verwart en bijna in paniek brengt. Zo kan ik even helemaal niet met hem opschieten, zo irriteert hij me bijna. En dat is helemaal geen wonder. We zijn nu al een paar weken non stop samen, terwijl we allebei onze rust maar wat graag nodig hebben. We werken onderhand vreselijk op elkaars zenuwen. Hij zou me al lang naar huis hebben gestuurd, waarna ik een paar maanden niet aan hem zou hebben gedacht, behalve af en toe op zijn website. Zo hoort het ook en zo zal het weer zijn. Ik laat, maar nu loop ik op de zaken vooruit, tot me doordringen wat ik al geloof, dat hij niet heeft geleden toen hij stierf, maar gewoon even is gaan slapen, precies zoals iedereen het zegt. Daarbij geloof ik dat hij zachtjes zijn bijna-dood-ervaring is ingegleden, dat hij ervan heeft genoten om uit zijn lichaam te treden en eerst nog even gewichtloos door de straten te zweven, een belevenis die ik juist hem niet kan misgunnen. Zo is hij van me weggegaan en dus kan ik gewoon verder leven op mezelf, terwijl ik in de praktijk breng wat ik van hem heb geleerd, zo comfortabel mogelijk als ik het wil. Ik heb het blinde vertrouwen dat ik door hem niet ongelukkig kan worden, levend of dood, ik ben blij dat ik hem ken. Hij zal me met rust laten, maar nooit werkelijk van me weggaan. Hij komt gewoon af en toe eens langs, zoals hij dat altijd heeft gedaan. En dan zal ik hem horen en zien en zullen we samen spelen. Even janken. Of lachen. Of we maken een vrolijk huppeltje, hij en ik. Om mezelf te troosten hoef ik alleen maar te denken aan de pechvogels die Jip pas in de toekomst zouden hebben leren kennen. Misschien had juist u hem wel ontmoet. Dan hoort u harder te rouwen dan ik. Of misschien kent u hem al. Wij hebben geluk.

Verloren

Zonder Jut ben ik nooit meer Jul.

Gevangen in hun vrijheid

Je moet elkaars geloof kunnen respecteren, vooral atheïsten schieten daarin vreselijk tekort. Ze zijn net kinderen die een klasgenootje belachelijk maken met zijn geestenzicht, terwijl ze zelf tussen de elfjes, dwergen en heksen leven. "Kom maar naar onze wereld, daar ben je tenminste vrij van de jouwe, want die lijkt ons vreselijk." Maar ook zij hebben hun wereld zelf geschapen, naar hun eigen beeld.

Alleen maar heus niet eenzaam

Van tekst vorm ik een plaatje in mijn hoofd, waarin ik details aan kan wijzen met mijn vinger. Voor mij is dat vanzelfsprekend, maar ik begin de indruk te krijgen dat het niet bij iedereen zo werkt.

De lezers

Het staat er, het is niet anders. De taal heeft het me geschonken en ik schenk het u. Voor wie het beleeft zal het een schok zijn.

Het gouden kalf

Inderdaad is God voor ons de enige Ware. Alleen zouden we niet voor Hem mogen zwichten. 

Fragment

Als je het los ziet van mijn werk, dan kun je het niet meer in verband brengen met mij.

Dat maakt alles anders

Verander je het model, dan blijft in de werkelijkheid alles gelijk, behalve het model.

Non argument

Het behoeft geen betoog dat ik iedereen die me vertelt hoe ik moet denken vierkant in zijn gezicht uitlach. Ik zal zijn suggesties aannemen ter overweging.

Terrorist

Ik zou niet in een tweelingtoren vliegen, of naar het Pentagon. Ik zou een vlucht uitkiezen om een uur of negen in de ochtend, een gewone werkdag. En dan zou ik om snelheid te maken een stevige aanloop nemen naar beneden waar ik een harde buiklanding maak bovenop de rijen wachtende auto's op de drukste snelweg die ik kan vinden, daar schuif ik overheen, tot het vliegtuig ontploft. Dat moet minstens met een Jumbo.

Hobby

Eigenlijk interesseert het me geen biet of die werkelijke God al dan niet werkelijk bestaat. Hoe dan ook ga ik mijn eigen gang en ik zie wel waar ik strand aan het eind, of ik zie het niet. Maar voor die tijd zal ik me lekker vergapen aan alle mogelijkheden die deze of gene god me openbaart. Hoe kan ik denken, hoe kan ik voelen, wat kan ik doen, daar ben ik vreselijk in geïnteresseerd. 

Wedstrijd

God bestaat in de mensen, dat valt niet te ontkennen. En als God bestaat, dan heeft Hij de wereld geschapen.
De eerste die daar om kan lachen zal ik rijkelijk belonen met een complimentje.

Geen spijt

Sorry jongens, dit boek komt niet verder meer af. Jullie zullen het moeten doen met wat er staat. En dat bevat ondertussen toch al best een paar leuke delen, zowat voltooid, waarin ik allerlei streken heb uitgehaald, allemaal voor de lezer. Als laatste karwei heb ik nog wat stukken weggehaald waarvan ik wist dat ze niet in het verhaal thuishoorden, maar waar ik in mijn optimisme nog niet aan was toegekomen. En ik heb iets toegevoegd dat er nog in moest. Het is nu in ieder geval compleet. Maar te vaak is het stroef en op die plekken zou het nog veel meer naar de lezer moeten worden toegeschreven, meer op de huid. Dat zou ik nu graag gaan doen, maar dat lukt me niet meer. Sinds een tijdje heb ik continu pijn, met daar bovenop de doezeligheid van de morfine, waarvan ik al zo min mogelijk gebruik. Zo diep concentreren kost me een bijna onmenselijke kracht, een kracht die ik niet meer op kan brengen. Het is te veel werk, te veel moeite, te hopeloos.
Ik heb mijn best gedaan, maar nu gooi ik het bijltje erbij neer. Sorry.

Dat ondertekende hij, schudde nog een keer resoluut ja boven zijn handtekening. Hij pakte hij het papier, schoof het in de map bij zijn manuscript, dat hij fatsoenlijk had weten uit te printen, en legde het pakketje, met de brief bovenop, midden op zijn bureau. Hij stond zijn werk nog even te bekijken, maar liep al snel naar een kast, waaruit hij een revolver tevoorschijn haalde. Hij ging zitten op zijn bank, bekeek de revolver in zijn hand, gleed even met een wang over het wapen, zette het tegen zijn hoofd en drukte af, allemaal in een vloeiende en beheerste beweging, waarbij hij al ver onderweg de moede ogen sloot.
En een rommel dat me dat gaf.

Vergelijk

Ik sprak laatst een jongen, erg rationeel, maar wel goed in zijn woorden en zorgvuldig redenerend, al leek hij zich daar tegenover anderen wat minder om te bekommeren. Voor mij was hij dus even een uitstekend speelkameraadje. En hij vertelde me iets opmerkelijks. Hij had ooit een vriendin gehad die in geesten geloofde. Of het waar was wat hij me vertelde, dat weet ik niet. Het is mogelijk, maar voor zo'n verhaal was intussen een voorzetje gegeven, dus hij hoefde hem er alleen maar in te koppen. Ik weet het niet.
In ieder geval vertelde hij dat hij haar in een redelijk gesprek had laten inzien dat geesten helemaal niet bestaan. Nu verafschuwt ze die geestenwereld en dat ze er ooit in heeft geloofd. Hij had haar overtuigd. En daar was hij tevreden mee, want rede had gezegevierd. Maar ondertussen realiseert hij zich niet dat het best mogelijk is dat ze die geesten nog steeds ziet, hoe reëel of irreëel ze ook zijn. Als dat het geval is, dan heeft hij haar niet gelukkiger gemaakt. Ze ontkent nu een deel van haar wereld, dat toch echt werkelijk voor haar bestaat omdat het een rol speelt in haar bewustzijn, of je het nu afdoet als hallucinaties of niet. Hij had haar meer plezier gedaan door haar met dezelfde redelijke overtuigingskracht te laten zien dat geesten heus geen kwaad in de zin hebben, en evenmin onvermijdelijk ongelukkig zijn. Waarom zou het met geesten wat dat betreft anders zijn gesteld dan met mensen? Daarmee had hij haar een effectieve manier aan de hand gedaan om in haar wereld te overleven zonder bang te hoeven zijn. En dat is een veel mooier geschenk dan die kat in de zak waarmee hij haar heeft weten te verblijden.
Zelf heb ik het ooit nagelaten zo'n cadeau te geven. Ik wist niet wat te doen, laat staan waarom.

Jaargang 5

Welkom bij de vijfde jaargang van Spreuken en sproken van alledag. Op dit moment is er op deze pagina nog niet zo geweldig veel te lezen, maar omdat het nog zo kort geleden is, kunt u zich gemakkelijk vervoegen bij de vierde jaargang. Die staat hier en hier. Daar staan iets meer dan 120 titels met inhoud, verzameld in het afgelopen jaar. Daar wens ik u allereerst veel plezier mee. Is u dat nog niet genoeg, dan kunt u uw geluk ook nog beproeven bij de jaren daarvoor, de derde jaargang, de tweede jaargang en de eerste.

8-8-2008